Hieronder staat een simpel plaatje over de werking van een processor.
De processor bestaat uit verschillende onderdelen.
1) De rekenkundige eenheid
2) De logische eenheid
3) Meerdere registers
4) Besturingseenheid
De eerste 2 zijn er om de rekenkundige bewerkingen uit te voeren en de registers zijn tijdelijke opslagplaatsen.
Hieronder zie je een schematische weergave van een processor.
Machinetaal bestaat uit eenvoudige instructies zoals LAAD, SLA OP, OPTELLEN, AFTREKKEN en VERMENIGVULDIGEN. Elke instructie of een bewerking heeft een code in nullen en enen. De processor kan daardoor de instructie decoderen.
Voor de optelling C=A+B is in een serie instructies nodig:
| Instructie 1 | Laad de waarde van adres A in het interne geheugen in Rekenregister 1 | |
| Instructie 2 | Laad de waarde van adres B in het interne geheugen in Rekenregister 2 | |
| Instructie 3 | Tel de waarde van Rekenregister 1 bij Rekenregister 2 en plaats deze waarde in Rekenregister 3 | |
| Instructie 4 | Sla de waarde van Rekenregister 3 op in adres C van het interne geheugen |
Een ander belangrijk register is de Program Counter. Instructies staan in het geheugen en de program
counter geeft aan waar de huidige instructie staat. Na het uitvoeren wordt de Program Counter verhoogd, zodat de volgende instructie opgehaald kan worden.
Wanneer de computer het machinetaalprogramma uitvoert, worden de instructies één voor één in het instructieregister geladen, gedecodeerd en uitgevoerd. Bij elke instructie doorloopt de processor de volgende cyclus:
- Haal de instructie op van geheugenplaats en plaats deze in het instructieregister.
- Decodeer de instructie (bepaal wat er moet gebeuren).
- Voer de instructie uit.
- Verhoog de Program Counter (en weer naar stap 1)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten